Inhoudsopgave

Ontgane velden

Buiten is het gaan regenen. Het groepje excentriekelingen is gaan schuilen en hangt wat doelloos bij de ingang van het huis. Ze horen dat er onderzoek gedaan wordt naar de puberteit en krijgen er een ongemakkelijk gevoel bij. Alhoewel ze zelf al lang niet meer voldoen aan het leeftijdscriterium van het onderzoek, lijken ze zich toch aangesproken te voelen. Ze zetten zich af tegen de in hun ogen stompzinnigheid van het onderzoek. Ze zouden het zelf heel anders doen. Er zijn echter twee grote obstakels. Ten eerste mogen ze niet naar binnen omdat er nog steeds geen ruimte is in het huis. Ze lijken het binnen met de dag drukker te krijgen, zodat er weinig zicht is op verandering. Het tweede obstakel is nog groter. Ze weten namelijk helemaal niet hoe ze onderzoek anders zouden kunnen doen! Ze zetten hun hakken in het zand bij de definiëring en operationalisering van zoiets als de puberteit. Na hun stellingname dat puberteit niet als concreet onderzoekbaar object te benaderen is, staan ze echter met lege handen. In een poging om de puberteit toch wat handen en voeten te geven, hebben ze het over een veld waarbinnen het verschijnsel puberteit als zodanig ervaren wordt. Het klinkt erg mooi en omvattend. Door het geheel in ogenschouw te nemen, lijkt het onderzoek naar de puberteit meteen een stuk zinvoller maar ook onmogelijker te definiëren. Een veld als geheel waar we niet alleen als zogenaamde puber, maar ook als maatschappij, inclusief wetenschappelijk onderzoeker, deel van uitmaken, is natuurlijk met geen mogelijkheid empirisch te onderzoeken.

Een zelfde dilemma manifesteert zich in de exacte wetenschappen. De natuurkunde is na eeuwen van onderzoek aangelopen tegen de grens van het kennen, omdat de kleinste deeltjes zich niet als afzonderlijke deeltjes blijken te gedragen en zelfs mee bepaald worden door de blik van de onderzoeker. Zelfs vastigheden als ruimte en tijd staan daar te wankelen.

Het is een verwarrend gegeven waar ze in de psychologenkamer al vanaf het eerste uur tegen aanlopen. Hun onderzoeksobject gedraagt zich niet als object maar praat terug! Een subject wordt dwars wanneer het object moet worden. Alhoewel ze zich er in het huis van het wetenproject terdege van bewust zijn en zich in allerlei bochten wringen om dit dilemma te omzeilen, komen ze hier niet goed uit. In de jaren vijftig en zestig van de 20e eeuw werden een aantal pogingen ondernomen om het subject te kunnen onderwerpen aan een onderzoek.

Van de fenomenologisch psychologen is F.J.J. Buytendijk (1957) (Misiak en Sexton, 1966) de belangrijkste vertegenwoordiger en tot ver over onze grenzen een bekendheid. Hij tracht de menselijke verschijnselen te verstaan door er met gepaste distantie en respect naar te kijken. Hij laat de verschijselen zelf aan het woord en luistert met een houding van deemoed. Het fenomeen dat zich aan ons voordoet is, in haar totaliteit en context, object van psychologisch onderzoek. Literatuur kan ons in fenomenologisch onderzoek vaak meer leren over ons menselijk bestaan dan analytisch wetenschappelijk onderzoek. De grote schrijvers krijgen een plaats in het huis van het wetenproject. De fenomenologische psychologie beperkt zich niet tot saaie operationaliseerbare thema’s. Een gepassioneerde kus kan zo aan een diepgaand onderzoek onderworpen worden (Linschoten, 1953).

De existentieel psychologen hebben een ander perspectief op onze menselijke zijnswijze. B. J. Kouwer (1953, 1963, 1973) is een belangrijke vertegenwoordiger. Alle persoonlijkheidstheorieën die tot die tijd onderzocht waren, werden door hem over de hekel gehaald. Het contact met de ander staat centraal in de existentiële benadering. Dit contact is mogelijk dankzij het feit dat de ander geen object is. Het bestaat door de verrassende en onvoorspelbare reactie van de ander, voortkomend uit de absolute vrijheid van het bewustzijn van de ander. Dit bewustzijn is een vóóronderstelling die nooit objectmatig aangetoond en onderzocht kan worden. De niet te bevatten maar ook onontkoombare vrijheid kan beleefd worden als een angstaanjagende afgrond vlak voor onze voeten.

Uiteindelijk hebben de kleurrijke fenomenologen en de radicale existentieel psychologen het veld moeten ruimen. De psychologie had concrete en harde gegevens nodig om als wetenschap serieus genomen te worden. De zachte stoffering van de psychologenkamer was uit de mode.

Ook al wordt hij totaal verschillend beleefd, de onmacht blijkt binnen net zo groot als daarbuiten! Gezien de enorme betrokkenheid en hoeveelheid energie van beide kanten, vraag ik me af of ik hierin behulpzaam kan zijn. Moet ik misschien hulp van buitenaf inroepen? Ik vraag me echter af wie dat in godsnaam zou moeten zijn. Ik zou die charismatische man van de zolderkamer kunnen vragen. Jammer dat hij door zijn houding en taalgebruik zo ontoegankelijk is. Wat me bijblijft is dat hij de wereld van ons denken op de kop weet te zetten, waardoor alles er anders uitziet. Zou het kunnen dat we met ons allen vastzitten in een patroon van denken dat zich als een valstrik almaar vaster zet? Des te harder we ons proberen te bevrijden, des te vaster we komen te zitten en des te wanhopiger we worden. Deze wanhoop zet ons aan tot nog heviger verzet. Het is de paradoxale valstrik van onze menselijke zijnswijze, zou Heidegger kunnen zeggen. De situatie vraagt om een totale ommekeer in benaderingswijze. Hoe zouden we echter iemand die zichzelf steeds verder verstrikt, dit inzicht kunnen bijbrengen? Vanuit angst en onzekerheid zijn we wanhopig op zoek naar houvast in de vorm van kennis en controle. Kunnen we de mensen in het grote wetenproject ertoe bewegen om het niet-weten tot de kern van hun project te laten doordringen? Het vraagt om overgave aan de strik, in plaats van het gevecht om los te komen. Een dergelijk voorstel zal niet gehoord worden en is op voorhand tot mislukken gedoemd. De dreiging van een nog grotere machteloosheid zal ze afschrikken.

Toch lijkt in bovenstaande gedachtengang een glimp van het gebeuren op te lichten. In dit vage licht vraag ik me af wat er zou gebeuren als we ons onderzoeksobject niet als object maar als subject zouden benaderen. Een puber kan alleen als puber puberen als er grenzen zijn waar hij zich tegen kan verzetten. Zodra een puber een betekenisvolle rol heeft in de samenleving is hij niet langer puber. Zodra we puberteit benaderen in een open transparante verhouding, is de strik los gegaan. Puberen is niet langer onderzoeksobject maar is aspect van ons zijn in de wereld. In deze open benadering is het getransformeerd tot subject. In de exacte positivistische wetenschappen creëren we objecten teneinde deze aan onderzoek te kunnen onderwerpen. Psychologie daarentegen vraagt om een benadering van de mens als subject. Als subject onttrekt de mens zich aan ons objectiverend bewustzijn. Menselijk bewustzijn, identiteit, vrijheid, vrije wil en contact zijn onontkoombare en impliciete vóóronderstellingen van ons menszijn. Het zijn velden van onderzoek die ons in haar wezen altijd ontgaan.

Ontgane velden laten zich niet ontginnen.